5/9/2002   Cedrillas - Cantavieja     65 km

Natte tent. Niet door de regen maar door de dauw; we staan op een grasveld. Ik vind het nogal bedenkelijk dat de tent op sommige plekken weer doorslaat, b.v. waar mijn toilettas heeft gestaan is nu een vochtig vierkantje. We pakken rustig in, nemen afscheid van Henk en Laura en gaan naar het dorp voor proviand. Op het pleintje wordt stokbrood met olijvenworst gegeten en we voelen ons voorlopig voldoende gevoed om aan de beschreven route te beginnen.

Ik zie er een beetje tegenop. Er worden een paar stevige klimmen beloofd. Gelukkig weet ik op dat moment nog niet wat mij de rest van de dag staat te wachten. Maar wat helpt vrezen, de mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest, ik kan hier moeilijk blijven. Dus kop op en  genieten. We klimmen het dorp uit en zien al snel Laura en Henk. We fietsen hen voorbij in een pittige klim, stoppen en maken een foto. Het vervolg van het traject is meest klimmen en soms ook weer dalen en af en toe een dorpje. Een goede oefening dus voor wat we nog krijgen. Na 25 km. begint de echte klim; 10 km. lang door een naaldbos waarvan 8 km 9-10 % stijging en het laatste stuk 11%. We staan dan op Puento de Villaroya op 1700 mtr. hoogte, het hoogstge punt van de El Cid route. Daarna is het vrij steil dalen en zijn we na een poosje weer op 1350 mtr. We rijden even Fontanete binnen om iets te eten want je raadt het vast al;  we mogen weer klimmen, nu naar 1612 meter en het stijgingspercentage valt wel mee. Alleen we zien weer van de gele borden staan met een tekst dat volgens ons: "Hier wordt aan de weg gewerkt" betekent. Wanneer we om een berg heen fietsen zien we in de verte stoplichten staan met een wachtende auto. We sluiten aan en het duurt een hele poos voordat we eindelijk mogen. Er is nog niks van bedrijvigheid te zien. Het stuk asfalt waar wij overheen rijden lijkt spiksplinternieuw. Weer een bocht en nu zien we de reden van de waarschuwingen; ze zijn aan het asfalteren. Gelukkig niet op onze weghelft. Terwijl we er langsfietsen hebben we het gevoel dat we geroosterd worden door de hitte van het gloeiende asfalt dat ze op de weg storten. Maar we zijn er voorbij gelukkig. Na een poosje horen we een zware vrachtauto achter ons aan komen. We stappen even af om hem voorbij te laten en zien tot onze schrik dat hij een heel dun laagje asfalt op ons weggedeelte laat stromen. Wat nu?  We besluiten naar de andere kant van de weg te gaan en over de linkerhelft verder te fietsen. Om daar te komen moeten we over het pas geteerde gedeelte en we plakken met schoenen en banden aan de weg vast. Natuurlijk komen er tegenliggers wanneer wij op de linkerhelft verder omhoog fietsen en we zijn genoodzaakt om zo af en toe weer op rechts te fietsen. Het lijkt of we zuignappen aan de banden hebben.

"Henk, ik kan niet meer, graag even stoppen", We rijden een parkeerplaats op en ontdekken te laat dat deze vol kleine steentjes ligt, die onmiddellijk aan onze banden blijven kleven. We lopen daarna maar weer naar de overkant van de weg en pulken de steentjes er zoveel mogelijk af. Als dit geen lekke band wordt ....  We klimmen langzaam verder; het is toch niet waar wat ik in de verte zie? Het blijkt wel waar te zijn. Het asfalt is van de weg geschraapt en wij mogen over graffel en gruis verder naar boven. Maar het is nog niet erg genoeg. Vandaag is het een werkdag dus wordt er gewerkt. Grote kiepauto's met grind rijden ons achterop of komen ons leeg weer tegen. Het stuift ontzettend; vaak gaan we even van de fiets af om ze voorbij te laten. Ik moet zeggen, dat ze zoveel mogelijk rekening met die iele fietsertjes proberen te houden. Even later staat er een graver dwars op de weg. De auto's die ons sporadisch voorbij zijn gegaan staan allemaal in een rij te wachten, omdat er een duiker in een gat moet worden geplaatst. Wij kunnen er langs, maar het gevolg is, dat wanneer de rij auto's de graver ook kan passeren, al deze auto's omgeven door een stofwolk, ons voorbij moeten. Gelukkig daalt het laatste stuk, komen we op asfalt met grote kuilen, maar uiteindelijk rollen we toch Cantavieja binnen. Inmiddels is het ook nog gaan dreigen en rommelen in de lucht. Cantavieja is een erg leuk Tempelierstadje, mooi gerestaureerd alleen we zijn te moe om foto's te maken. We gaan op zoek naar de fonda die erg knus moet zijn, maar hij is vol. Dan maar naar het eerste de beste hotel. Wanneer Henk bij het inchecken vraagt of men Engels spreekt (nee dus) zegt iemand achter hem: "Oh wat ben ik blij dat ik weer eens Engels hoor spreken". Henk zegt: "Misschien ontmoeten we elkaar vanavond nog wel voor een praatje". Inmiddels is het hard gaan regenen en onweren; we hebben dus weer geluk dat we niet het advies van de vriendelijke taxichauffeur hebben opgevolgd om door te fietsen naar Mirambel waar volgens hem ook een leuke fonda is. We hebben het mooiste hotel tot nu toe en we maken dan ook gebruik van het warme bad om onze spieren te verwennen. Daarna wordt onze vochthuishouding weer op peil gebracht aan de bar met een paar biertjes. Het restaurant ziet er uitnodigend uit en we besluiten daar te gaan eten. We zijn net begonnen aan ons voorgerecht, als de Engelsman achter ons aan een tafeltje gaat zitten. Henk nodigt hem uit om bij ons aan te schuiven, wat de bediening helemaal uit het evenwicht brengt, wanneer ze hem zijn voorgerecht brengen en hij is verdwenen. De Engelsman blijkt inmiddels een Amerikaan te zijn, Sean Murphey, die voor zijn bedrijf werkzaam is in Parijs en nu op zijn motor dwars door Spanje trekt.

Als eerste krijg ik mijn hoofdgerecht. Torro heb ik gesteld en wanneer mijn bestelling voor mij wordt neergezet,  staren we alledrie in mijn bord. Gelijk krijgt  Henk zijn zalm voorgeschoteld. Sean stamelt, nog steeds naar mijn bord kijkend: "Ik dacht dat dat voor jullie tweeŽn zou zijn." Op mijn bord ligt een biefstuk van minstens 500 gram. Sean krijgt daarna zijn lamsgerecht. Het eten is voortreffelijk, de wijn smaakt ook bijzonder goed. Sean merkt op dat hij ons zo bruin vindt. Hijzelf wordt nooit bruin, alleen maar rood. We beginnen over zijn achternaam: Murphey; klinkt Iers. Sean vertelt dat hij binnenkort samen met zijn broer, die  uit Amerika komt overvliegen, naar Ierland met vakantie gaat. Ze willen Ierland bezoeken want de aanwijzingen zijn toch wel sterk dat hun voorgeslacht uit Ierland komt. Nu hebben Ieren niet zo'n beste naam in Amerika dus ik probeer: "Maar je hebt geen rood haar". "Ja maar wel de krulletjes en een erg blanke huid". Even later: "het schijnt dat ook voorouders van mij uit Polen komen". Nog erger want zowel Ieren als Polen worden als erg dom gezien in Amerika". Sean vraagt nog of Hollanders ook door een bepaald land als dom worden aangemerkt, maar wij zouden niet weten. Even daarna noemt Sean dat hij Fransen helemaal niet nationalistisch vindt. Wij zeggen niks, waarop hij vervolgt: "Omdat ik nu in Frankrijk woon wil ik wanneer de Fransen een nationale feestdag hebben ook met hen mee feesten en ik heb overal in de winkels geprobeerd een Frans vlaggetje te kopen. Nergens konden ze mij helpen." Wij zeggen nog steeds niets zodat hij vervolgt: "Zwaaien jullie ook wel eens met vlaggetjes". Only on Queensday" zeg ik "met vlaggetjes van papier en meestal regent het dan". Henk dikt aan: "en dan staan we na 5 minuten alleen nog maar met een houten stokje in de hand". De wijn was inmiddels al uit de fles in de 'man' en 'de wijsheid' was ook verre van zoek.  Maar wat heerlijk, zo'n melige avond met een Amerikaan die er ook erg vatbaar voor is. Op een gegeven moment komt het personeel met bezems om onze tafel heen vegen; het is vast de bedoeling dat we opstappen, het is ook al 12.00 uur. "Good night, sleep well".

Terug naar index