Maandag 8 september Puertollano –Virgin de la Cabeza 93.3 km.

We hadden het vertrek van vandaag gisteren zo goed gepland; we hadden een supermarkt gevonden die om 9.00 uur open zou gaan. Wanneer we vanochtend even voor negenen voor de deur staan brandt er nog geen licht en even na negenen ook niet. Ook vandaag blijkt het bij navraag een feestdag te zijn. Dan maar weer op zoek naar de bakker en daar blijkt dat we ook water kunnen kopen. We moeten wel het nodige meenemen, want het boekje meldt dat de tocht vandaag door een ruig en droog landschap gaat, alleen één klein dorpje zullen we vandaag passeren, maar dat ligt naast de route. Het eerste gedeelte van de tocht gaat klimmend over een echt fietspad, aangelegd over een oude spoorbaan naar de Porto de Mestanza. We stijgen verder en komen in het kleine dorpje Mestanza, waar we bij de bar nog wat cola inslaan. Daarna nog een gehuchtje, Pina del Solano. Aan het einde van het dorp zien we gele borden met een hoop tekst en vermoeden dat we er niet langs mogen. Henk rijdt even terug naar het dorpje en zijn vraag of we er met de bicycleta wel langs kunnen wordt beantwoord met si si. We wagen het er maar op maar helemaal gerust zijn we niet.
Het asfalt is van de weg geschraapt en we rijden over gruis, maar dat is te doen. Even later staat aan de kant van de weg een gravertje te graven. Als dat nu alles is …… We komen even later bij een prachtig meer en zien grote vissen boven het water uit springen. Wat een overweldigende natuur, wat een rust. Rust? Horen we daar in de verte niet opnieuw lawaai van gravers? Wel een stuk hoger dan we nu zijn. “Ach het kan best dat wij die kant helemaal niet op moeten” zeg ik met aarzelend optimisme.
Helaas aan het eind van het meer gaat de weg over de dam van de Embalsa de Monoro en het geluid van zwaar werk verrichtende voertuigen komt dichterbij. Even horen we niks meer, maar wanneer we om een groot rotsblok heen een bocht moeten nemen staat daar ineens een man die ons ongelovig aankijkt en ons een bordje rood verbodsbord met witte balk, verboden in te rijden – éénrichtingsverkeer – voor de neus houdt. Tien meter boven ons is een zware graver, gehuld in grote stofwolken bezig zware rotsblokken, waarschijnlijk door dynamiet losgerukt van de berg, naar beneden te schuiven.
De man zegt iets tegen ons, waarvan we vermoeden dat we niet verder mogen. Henk z’n Spaans laat ons even in de steek en gebrekkig maken we duidelijk dat we graag er langs willen. De man kijkt ons nog eens meewarig maar gelukkig vriendelijk aan en probeert daarna met het bordje de aandacht van de gravermachinist te trekken. De machinist krijgt daarna de rode kant van het bordje te zien en hij stopt de activiteiten. Ons houdt de man de groene achterkant van het bordje voor en daarna loopt hij voor ons uit een weg zoekend tussen de rotsblokken door. Hij brengt ons tot de plek waar een andere graver een zware kiepauto staat te laden met hapklare rotsblokken en ook daar volgt het zelfde ritueel, rood bordje voor de graver en kiepauto, groen voor ons. We bedanken de man hartelijk; we zijn er langs. We vervolgen onze weg vol gaten en kuilen, zo af en toe is de berm induikend om een vrachtauto voorbij te laten. Gelukkig slaan die al snel af zodat wij de weg helemaal voor ons zelf hebben.
We stijgen door de prachtige ruige natuur naar de Los Rehoyos op 980 meter (vanaf meer 450 meter gestegen). Wat een overweldigend uitzicht hebben we hier. Daarna hebben we een heerlijke lange afdaling, nu door een omgeving met veel meer bos. We fietsen inmiddels in de Sierra Morena. We komen bij Rio Robledillo (480 meter), een rivier zoek zijn weg altijd langs het laagste punt, wij weten dat er weer geklommen moet worden. Over een slechte weg stijgen we weer naar 960 meter naar de porto Madrõno. We hebben het gehad; denken we, want het boekje geeft aan dat we de laatste 30 kilometer licht dalend kunnen afleggen. Forget it! Over het hele traject zullen we misschien iets meer zijn gedaald dan geklommen, maar het hele traject bestaat uit sterk golvend terrein. Dat niet wetend en nog het idee hebbend dat we alleen maar gaan dalen, fietsen we langs een bron waar het water rechtstreeks via een rubber slang uit de berg stroomt. We berekenen dat we nog genoeg vocht bij ons hebben en fietsen door. Dom, heel erg dom. Ik had de lege anderhalf-liter-waterfles moeten vullen; de laatste vijf kilometer fietsen we zonder een druppel vocht meer hebbend, en daarvoor ook al zuinig aangedaan, ik met papbenen, die toch nog gevoelig zijn als ik kermend aan moet zetten om weer de zoveelste stijging te nemen.
Gelukkig hebben we voldoende afleiding. We fietsen door een woestenij en dor bossige omgeving over een slecht wegdek. Ergens staat twee nieuwsgierig reetjes aan de kant van de weg ons op te wachten. Wanneer we dichterbij komen lopen ze iets het bos in, maar slaan niet op de vlucht. Ze blijven ons begluren.
Even later ziet Henk een grote slang, die op de weg ligt te zonnen, haastig de weg af kronkelen. Helaas mis ik hem, maar het volgende dient zich al weer aan. Door het vrij open bos heen zien we een grote roedel herten, ik schat zeker wel dertig bij elkaar. De machtige geweien van de heren steken er boven uit. Uiteindelijk zien we in de verte Santuario de la Virgen de Cabeza liggen.
Achter een mooi groot hotel ligt een eveneens grote camping en ook dit terrein is helemaal voor ons alleen.Al zijn we nog zo vermoeid, we zetten eerst rustig de tent op op een mooi plekje een beetje achteraan op het terrein, zicht op het klootster, gaan ons douchen en ik doe het fietsklerenwasje en Henk maakt een lijntje. Daarna gaan we naar het grote overkapte terras van het hotel. “Mag ik van u het grootste glas Cerveza dat u heeft?” vraagt Henk aan de eigenaar. “De allergrootste?” vraagt de man voor de zekerheid. We krijgen een kan met een liter bier en twee glazen. We zijn net twee sponzen, slaan het bier achterover en weten niet waar het blijft. Binnen een paar minuten haalt Henk tot verwondering van de man, nog een kan. “Hè, hè, dat was lekker …”.
We wandelen nog even naar het beginpunt van de trap naar het Santuario. We besluiten het bezoek tot morgen uit te stellen en hier even de tijd voor te nemen. Wanneer we teruglopen horen we het beurelen van de herten in de omgeving. Leuk, ik heb dat nog nooit gehoord, terwijl er op de Veluwe omstreeks deze tijd ook behoorlijk gebeureld zal worden
We wandelen terug naar het terras en bestellen à la carte; we vinden dat we dat heel erg verdienen. En het is een zeer goede keuze geweest dat juist hier te doen. We krijgen een heerlijke Gazpacho, de lekkerste die we deze hele vakantie hebben gehad; er worden aparte schaaltjes met stukjes tomaat, paprika en komkommer bij geserveerd. Henk neemt een kalfsschnitzel en ik een entrecote, waarbij het lijkt of ik minstens een halve torro krijg geserveerd.Dit alles vergezeld van een fles wijn en anderhalf liter water. Toch eten we keurig ons bordje leeg en ook nu is de anderhalf liter fleswater ook weer leeg. (zichtbare wijnflesbodem is vanzelfsprekend).
We gaan slapen. Na een uurtje moet ik plassen en hoor dat er een hert wel heel erg dichtbij staat te beurelen. Ik blijf even luisteren en hoor even later een ander hert steeds dichterbij komen eveneens beurelend en ik heb het gevoel dat er een intensief gesprek tussen die twee plaats vindt. Ik ben inmiddels klaarwakker, oververmoeid, teveel gegeten en nu uit mijn slaap gehouden door de macho’s, die er nog lang niet uit zijn wie de eerste rechten krijgt voor het zorgen voor nageslacht. “Als dat maar niet met elkaar ‘op het gewei’ gaat”, verzin ik en ik word steeds ongeruster. “Komen ze dichterbij? Volgens mij zijn ze op niet meer dan 30 meter afstand van de tent. Uiteindelijk val ik toch in slaap, maar niet voor lang.
Woest blaffend komt de grote herdershond van de camping met een noodgangrecht op onze tent af. Ook hoor ik een ander geluid, kan het niet direct thuisbrengen, maar Henk, iets eerder wakker geworden, weet aan het geknor dat hij hoort, dat het een wild zwijn is. Verstijfd van schrik, het klamme zweet breekt mij uit, wacht ik af wat er gaat gebeuren. Henk heeft inmiddels de dogcheezer in zijn hand.De hond is inmiddels dichtbij, er struikelt iets over de scheerlijn van de tent, zodat de tent heftig in beweging is. Aan het blaffen van de hond horen we dat het zwijn het op een lopen heeft gezet en hond is gelukkig daarna snel stil. Brave hond eigenlijk om ons zo te verdedigen. Of denkt een hond niet zo?
“Oh, laat mij slapen”, zucht ik en het lukt zowaar. Voor een klein poosje dan. Weer worden we wakker; nu van gesnuffel en voorzichtige stappen. Een hert, het moet zo te horen een hert zijn. Henk probeert de dogcheezer eens uit op het hert, maar dat werkt niet. Ik heb een “vreet mij dan maar op” gevoel en geef mij over én val zowaar in slaap. Het is dan inmiddels al vroeg in de ochtend.

Terug naar index